(oorspronkelijk gepubliceerd als gastbijdrage in examenbundel DBKV examenjaar 2022)
Stel je de volgende scène voor: Je zit in het rode pluche van de opera in Parijs, een gebouw vol goud,
marmer en historie. Je verwacht dat de bezoekers zich gedragen naar de ongeschreven etiquette die bij
het gebouw lijken te horen; stijf, stil en goed gekleed. Plots worden er gigantische witte ballonnen in
het publiek gegooid. Het publiek staat op, duwt de ballonen verder en hoger. Iedereen juicht en roept.
Het is alsof je opeens in een feestelijke volleybal wedstrijd voor 2200 spelers bent beland. Dit hele
spektakel wordt ondersteund door live muziek die inspeelt op wat er in het publiek gebeurt. Feest, jazz
en ballonnen in een van de beroemdste operahuizen van Europa.
Dit was het de eindscene (spoilers!) van de voorstelling Play (2017) van choreograaf Alexander
Ekman. De voorstelling bevraagt en onderzoekt welke rol spel als zodanig in het leven van een
volwassene kan innemen. De gedachte is: Als kind speel je veel en overal en kan je bij elk moment in
een fantasiewereld wegdromen, of je achterop de fiets zit of naar het plafond staart in bed. Via dat spel
leer en ontdek je. En het mooie is, overal is plek voor spel en verbeelding. Maar beland je in de wereld der volwassenheid dan krijgt spel vaak een heldere omkadering; In je vrije tijd mag je spelen. Denk aan sporten voor de ontspanning of uitgaan in het weekend. Vaak gaat dit soort ‘spel’ voor
volwassenen gepaard met het betalen van toegang of een abonnement. Er gelden heldere spelregels. Er lijkt weinig plek meer voor het spontane en imaginaire spel wat we allemaal speelden. Ekman heeft de dansers en muzikanten uitgedaagd om weer te spelen. En dat in de opera, een plek waar je dat niet
verwacht. Tijdens Play zie en hoor je de meest fantastische varianten en droomwerelden voorbij
komen.
De scene met de ballonnen is een toegift. Als publiek mag je meedoen, meespelen. Het is alsof je in de
klas zit en het teken krijgt: Nu mag jij! Nu jullie. Ga iets maken, ga iets doen. Opeens ben je van
passief publiek gepromoveerd tot deelnemer, tot een gelijke. En omdat de architectuur van het theater
en de gezamenlijk ervaring van de voorstelling een eenheid creëert in het publiek, springt iedereen ook daadwerkelijk op, en speelt samen.
Als toeschouwer was ik ontroerd en bleef me na afloop verwonderen hoe zo’n wezenlijk onderdeel
van het mens-zijn geaccentueerd werd door de voorstelling, iets dat ik daadwerkelijk leek te zijn
vergeten. Ik verbaasde me over hoe het gonsde door alles en iedereen heen, en hoe weinig ik me op
zo’n plezierige manier verbonden voel met de mensheid in mijn normale leven. We moeten (daar ga
je al, moeten) elkaar meer ontmoeten in improvisatie, in spel. In plezier.
De titel van de eindexpositie DBKV This is where the fun begins markeert ook zo’n moment. Nu jij,
nu jullie. Nu is het tijd voor plezier. Plezier maken verbinden we in onze maatschappij vaak aan vrije
tijd, maar dat ondermijnt de noodzaak van plezier volledig. We hebben het nodig op dagelijkse basis.
Deze titel zegt niet: Nu gaan de pas afgestudeerden massaal lantefanteren. Deze titel geeft juist aan dat zij doorhebben wat van belang is. Helemaal in het onderwijs. Dat zal ik toelichten met nog één anekdote: Ergens teneinde van de jaren ‘0 liep ik stage bij een middelbare school in Nijmegen. Ik gaf enkele lessen kunstgeschiedenis en beleefde niet zoveel plezier aan het onderwerp waarover ik moest doceren en vroeg me af hoe je daar als docent mee omgaat. Tijdens een pauze in een oerdegelijke en totáál niet tot de verbeelding sprekende lerarenkamer, vroeg ik advies aan een oudere, ervaren leraar. Het antwoord was iets in de volgende strekking: ‘We moeten dit doen van de overheid. Ik vraag me niet af wat ik ervan vind, maar vooral hoe ik al het materiaal kan behandelen in het schooljaar.’ Ik schrok van dit antwoord, hoe geef je les als je niet kritisch bent ten opzichte van de inhoud of je afvraagt waarom jij deze les doceert? Dus maakte ik netjes mijn stage af en koos een andere richting.
En dan zijn we nu gelukkig in 2022 beland.
We bevinden ons in een tijd van kritische kunstdocenten/makers. Die slash is van belang, want lesgeven gebeurt niet meer alleen in de lokalen, en niet meer in top-down constructies waarin de docent dicteert en de student noteert. Doceren gebeurt ook op andere plekken dan in het klaslokaal, en de verhouding tussen docent en student wordt bevraagd. Dat laatste is ook broodnodig, gezien de beerputten in het( kunst)onderwijs die de afgelopen jaren zijn opengetrokken, waaruit bleek dat toxische verhoudingen tussen docent en student het onderwijs tot een gevaarlijke plek maakt.
De nieuwe docenten/makers bekwamen zich niet alleen in het docentschap, maar ook in hoe ze
doceren, op welke plek, in welke vorm, en aan wie. Het zijn makers die kritisch staan tegenover hun
eigen praktijk. Het zijn Emancipated Educators, zo je wil. Dus zoeken ze ook ruimte om te spelen, om
uit te proberen en te improviseren. Om bijvoorbeeld collectief te doceren of een specialisatie te
ontwikkelen rondom een thema zoals emancipatie, seksualiteit of inclusie. Of door het combineren
van educatie en activisme. Door juist mensen op te zoeken die zich niet welkom voelen in het
klaslokaal. Hoe ziet een kunsteducatie op het voetbalveld eruit?
Dit onderzoekend doceren vergt lef, hoop en plezier. En mocht je als educator iemand tegen het lijf
lopen die geen idee heeft waar je mee bezig bent, doe dan niet zoals ik deed in de jaren 0, loop niet
weg. Maar nodig die persoon uit om mee te doen. En laat je bovenalles niet verleiden tot de oude
norm. Onthou: This is exactly where the fun begins.